Tagarchief: schrijven

Maandagmiddagcolumn: “Ik voel mijn hersencellen wegsijpelen”

Over het algemeen wordt er weinig kritiek geleverd op mijn blog. Als het wel gebeurt, dan vind ik dat prettig: iemand heeft iets van me gelezen en diegene ziet ruimte voor verbetering. Dat betekent dat ik niet stil hoef te staan. Ik vraag dan ook altijd om een toelichting. Van kritiek proberen te leren zonder dat je weet waar deze over gaat, is namelijk net zoiets als een boek proberen te begrijpen terwijl je niet kunt lezen.

Gisteren ontving ik op ask.fm een anoniem bericht. Ik citeer:  Lees verder

Advertenties

Maandagmiddagcolumn

Het is inmiddels al een tijdje 2015. In de weken voor de jaarwisseling probeerde ik iedereen die het horen wilde onder de pet te praten dat een kunstmatige scheiding tussen twee jaren echt niet zo veel verschil maakt en dat je elke dag je leven kunt veranderen. Toch ben ook ik bezweken onder de ‘new year, new me’-koorts. Ik krijg namelijk zo vaak te horen dat ik onnodig sorry zeg, dat ik begin dit jaar heb besloten het af te leren door voor elke keer dat ik dat doe een muntje in een zogenaamde sorry jar te stoppen. Je zou niet denken dat het werkt, maar dat doet het gek genoeg wel. Het potje is desondanks al bijna tot de helft toe gevuld.

Goed, genoeg over dat enigszins schaamtevolle goede voornemen. De jaarwisseling heeft namelijk voor een veel groter besef gezorgd: dit is het jaar waarin ik twintig word. Dat is twee keer tien. Toen ik één keer tien was, dacht ik dat ik snapte hoe de wereld in elkaar zat. Inmiddels is dat gevoel helemaal weg. En, nog veel belangrijker: stel dat ik tachtig jaar oud word, dan ben ik nu op een vierde van mijn leven. En stel dat ik vandaag of morgen per ongeluk sterf, dan heb ik nooit iets zinvols bereikt. Om een lang verhaal kort te maken: 2015 is het jaar waarin ik mezelf een schop onder mijn reet ga geven.

Misschien is het een beetje vroeg voor me om me zo druk te maken over de tijd die ik nog heb, want laten we wel wezen: op je negentiende kom je net kijken. Dat is dan ook wat me zo ontzettend irriteert. Ik wil niet net komen kijken, ik wil hebben gezien. Ik wil dingen doen en hebben gedaan, ik wil iets betekenen, iemand zijn. Ik voel me een beetje als het konijn uit Alice in Wonderland – “Oh dear, I shall be too late!” – en tegelijkertijd voel ik me Alice: ik stort me in een gat dat zich de wereld noemt en ik heb geen idee waar ik uit zal komen. Ik drink drankjes waarvan ik niet weet wat ze doen, ik open deuren waarvan ik geen idee heb waarheen ze leiden. En ik vind het heerlijk. Ik wil meer, het liefst zo snel mogelijk.

Hoe kom ik in de buurt van meer drankjes en deuren? Wist ik het maar. Wat ik wel weet, is dat ze me niet zelf zullen komen opzoeken. Daarom heb ik besloten om voorlopig maar eens elke maandagmiddag een column te plaatsen. Gewoon hier, op mijn eigen blog, om mee te beginnen. Het voelt een beetje als naar mezelf kijken in de spiegel, maar dat is het niet helemaal, zo weet ik uit ervaring. Vroeger blogde ik namelijk elke donderdag met het idee dat niemand mijn stukjes las, maar toen ik ermee stopte, kreeg ik tig berichten met de vraag wat er aan de hand was en of ik ermee verder wilde gaan. Dat heeft me goed gedaan, en toen ik aan het eind van 2014 onbedoeld mijn zonden overdacht, kwam de herinnering aan die periode naar boven. Het wordt weer eens tijd.

Dit is uiteraard een inleidende column, voor zo ver het een column is te noemen, maar vanaf volgende week ga ik hard aan de bak. Het eerste stuk is al af en dat zal hoogstwaarschijnlijk over Tinder gaan – nog bedankt voor het aanzetten tot publiceren, Jeremy – en daarna zien we het wel. Ik mag dan haast hebben, maar ik ga niet alles tot in de puntjes vooruit plannen: het mysterie van de magische drankjes en deuren hoeft nog lang niet verloren te gaan.

“Wil je dan ook schrijver worden?”

Mijn laatste blogbericht is van twee maanden geleden en daar schrik ik zelf van. Bloggen was iets wat ik zo’n beetje wekelijks deed en nu heb ik er steeds geen tijd voor. En hoe meer je te doen hebt, hoe sneller de tijd verstrijkt zonder dat je er erg in hebt.

In die blogloze periode heb ik dus niet stil gezeten. Het was druk op school en ik deed er zowaar mijn best – dat doe ik nog steeds. Natuurlijk ben ik niet alleen maar met school bezig geweest, ik heb ook veel nieuwe mensen leren kennen. Dat zorgde regelmatig voor schaamte aan mijn kant, want hoe zorg je dat het niet opvalt dat je niemands naam kunt onthouden als iedereen op het feestje elkaar kent?

Soms kom ik iemand voor de tweede keer tegen en krijg ik ineens de opmerking: “Ik zag op Facebook dat je een blog hebt.” Ja, wat zeg je dan? “Goh, dan ken je me al duizend keer beter dan ik jou”? Ik heb op zo’n moment niet eens de tijd om even te verwerken dat de persoon in kwestie mijn diepste emoties al voor onze tweede ontmoeting gelezen kan hebben, want meestal volgt onmiddellijk de onvermijdelijke vraag: “Wil je dan ook schrijver worden?” En op die vraag heb ik simpelweg geen antwoord. Vaak zeg ik: “Ik wil schrijven, ja,” waarna de meeste mensen schaapachtig naar me knikken, even om zich heen kijken en dan over iets anders beginnen. Sommigen fronsen echter hun wenkbrauwen en wachten op een antwoord op de vraag die in de lucht blijft hangen: “Wat is in vredesnaam het verschil?” En laat ik daar nou wél een antwoord op hebben.

Wat is een schrijver? Iemand die schrijft? Wat mij betreft niet. Iedereen kan schrijven. Je hoeft maar een WordPress-blog aan te maken. Geef die blog de meest voor de hand liggende naam die je kunt bedenken, bijvoorbeeld je eigen. Zet woorden naast en achter en onder elkaar, klik op publiceren en je bent klaar. Toch? Schrijven is niet veel meer dan dat, maar een schrijver doet zulke dingen al lang niet meer. Vroeger was een schrijver misschien nog iemand die schreef. De oorsprong van het woord zal daar dan ook ongetwijfeld iets mee te maken hebben. Mijn beeld van een schrijver is iemand die hele dagen achter zijn bureau doorbrengt, bij voorkeur door een pijp en een fles sterke drank vergezeld. Het bureau staat aan het raam, maar toch is het donker. De schrijver worstelt met zijn woorden, probeert ze te laten dansen, maar niet te veel. Hij wil dat ze zich naar zijn zin gedragen en dat gaat lang niet altijd volgens plan, maar áls het een keer volgens plan gaat, kan de schrijver zijn geluk niet op. Hij is niet bij zijn bureau weg te slaan, niet als het schrijven goed gaat, maar ook niet als het slecht gaat. Hij haat zijn woorden, maar hij houdt ook van ze. Hij is een intelligent en gecompliceerd wezen en bij voorkeur sociaal gehandicapt.

Die beschrijving gaat allang niet meer op. Tegenwoordig is een schrijver iemand die zijn mening geeft op televisie. Iemand die af en toe eens een boekje laat uitgeven, “voor de leuk” of “omdat het brood zichzelf niet op de plank brengt”. Tegenwoordig is een schrijver niet meer bezig met schrijven. Een schrijver is bezig zijn stem te laten horen. Niet heel gek, want wie koopt er nou nog boeken? Schrijvers moeten zich overmatig profileren om nog gezien te worden. Dat is hoe het tegenwoordig gaat en ik weiger eraan mee te doen. Misschien moet ik voortaan maar antwoorden met: “Nee, ik wil geen schrijver worden, want schrijvers schrijven niet.”

Inspiratie

Nadat ik dit stukje had gelezen, ben ik na gaan denken over schrijven. Wat is inspiratie en waar komt ze eigenlijk vandaan? Wat doe je er precies mee als het er is? En waarom is het er soms niet?

Het is een raar iets, inspiratie. Ik heb het echt nodig, wil ik iets zinnigs op papier krijgen. Op dit moment gebruik ik dus dit stukje als inspiratie, maar wat heeft mij bij al mijn andere stukjes eigenlijk geïnspireerd? Waren het mijn eigen verhalen, dingen die ik zelf heb meegemaakt? Nee, lang niet altijd. Waren het de verhalen die anderen mij vertelden? Ja, best vaak, maar soms ook niet. Waren het gedachten, verhalen, gevoelens die beschreven waren door de muziek waarnaar ik luister? Waren het fantasieverhalen en –situaties? Soms, maar hoe kom ik daar dan aan? Een wilde fantasie in combinatie met een foto van internet, misschien? Ik heb een wonderlijk brein.

Verhalen zijn niets zonder inspiratie. Soms heb ik iets in mijn hoofd wat ik echt heel graag op wil schrijven. De kunst is dan om de juiste woorden te vinden en het is nogal frustrerend als dat niet lukt. Volgens mij is dàt inspiratie: de combinatie van een idee en een tijdelijk vermogen dat idee uit te voeren.

Waar inspiratie vandaan komt, is me nog steeds een raadsel. Mannen hebben vaak een muze die hun inspiratie geeft, maar hoe heet zo iemand bij vrouwen? Zelfs Google weet niet hoe een mannelijke muze heet, dus misschien bestaat het bij vrouwelijke schrijvers gewoon niet.

Wat is in vredesnaam inspiratie? Wat is een muze?

Laatst wist ik het ineens. Ik zei:

“Een muze hoeft niets te doen om je inspiratie te geven. Wanneer je haar ziet, de manier waarop ze beweegt observeert en haar lach kopieert zonder dat je het doorhebt, gebeurt er iets met je. Een hoop woorden vormen onmiddellijk in je hoofd zinnen waar je anders nooit op zou komen.”

Bij mij vindt dit proces meer dan eens per dag plaats. Het gebeurt als ik iets moois zie, een verhaal hoor, verdriet heb, blij ben, met iemand praat die veel voor me betekent, met mijn hond knuffel, onder de douche sta en op de wc zit. Wellicht is het leven mijn muze.