Favorieten: muziek

Het moeilijkste aan het bijhouden van een blog is bedenken waarover je het gaat hebben. Iets wat gebruikelijk is onder bekende bloggers is het beschrijven van favorieten. Alles kan een favoriet zijn: een boek, een film, een voorwerp, een make-upproduct, een gerecht, und so weiter. Ik weet nooit zo goed wat ik met zulke posts aan moet, maar ik heb desondanks besloten om vanaf nu elke week een favoriet ding te bespreken, te beginnen met mijn favoriete muziek. Het is een top-5 geworden, want ik ben een slechte kiezer.  Lees verder

Advertenties

Vroeger, nu en later

Het moge duidelijk zijn dat ik probeer het bloggen weer op te pakken. Vroeger blogde ik wekelijks, niet alleen omdat ik het leuk vond, maar ook en met name om te oefenen met schrijven en het halen van deadlines. Ik was zestien toen ik ermee begon en ik dacht dat ik iets van de wereld begreep. Inmiddels zijn we meer dan drie jaar verder. Er is een tijd geweest waarin ik niet blogde, waarvoor ik allerlei redenen had, en ik merk nu dat het best lastig is om weer op te schrijven wat er in me omgaat.  Lees verder

Opa

Mijn opa had een bril. Hij woonde samen met oma in een donker huis, iets verder dan net om de hoek. Mijn moeder en ik gingen vaak ‘even langs opa en oma’, maar volgens mij waren we soms wel uren bij hen. Ik was nog heel klein, heel blij en heel blond.

Mijn opa speelde mondharmonica en hield van tuinieren. Hij had een moestuin en een gazon dat hij regelmatig maaide. Ook had hij een soort houten hut met grote ramen, die achterin zijn tuin stond. Hij was bijna net zo trots op de tuin als op mij.

Op een dag pakte opa mijn hand en nam hij me mee naar ‘het tuinhuisje’. Ik snapte niet waarom het zo heette. Een huis was toch veel groter dan dit? Bovendien waren huizen niet van hout, maar van steen.  Lees verder

Met griepsnot naar Slipknot

Soms is ziek zijn best lekker: je neemt gedwongen pauze van de dagelijkse sleur, ligt hooguit vier dagen op bed en komt daarna terug in de realiteit. Iedereen vraagt of het weer goed gaat – je bent nog een beetje zwakjes, geef je toe – en je beseft weer even hoe fijn het is dat je je over het algemeen best goed voelt. Ziek zijn kan echter ook een probleem worden, bijvoorbeeld wanneer je ziekte heel lang aanhoudt. Dat is bij mij momenteel het geval. Ik ben opgevoed met het idee dat alles te overleven is, zo lang je maar even een aspirientje slikt voordat je van huis gaat. Zo niet: prima, maar er moet wel doorgewerkt worden. Gaat zelfs dat niet omdat je geen letter normaal kunt lezen: eet veel fruit, dan gaat het vanzelf weer over.  Lees verder

Maandagmiddagcolumn: “Zeg eens iets filosofisch”

Het internet heeft me altijd al gefascineerd: het is net een bruine kroeg waarin mensen bij elkaar komen die elkaar niet of maar vaag kennen. Ideeën worden uitgewisseld, grapjes worden gemaakt, sigarettenrook vult de ruimte en het bier vloeit rijkelijk. Het kan al gauw voelen alsof je nieuwe vrienden hebt gemaakt. En de volgende dag, als je wakker wordt in je eigen bed, waar je de ruimte hebt om even afstand te nemen en de avond te overdenken, realiseer je je dat het gros van de mensen met wie je hebt gepraat niet je type is. Dan nog heb je een leuke avond gehad.  Lees verder

Maandagmiddagcolumn

Het is inmiddels al een tijdje 2015. In de weken voor de jaarwisseling probeerde ik iedereen die het horen wilde onder de pet te praten dat een kunstmatige scheiding tussen twee jaren echt niet zo veel verschil maakt en dat je elke dag je leven kunt veranderen. Toch ben ook ik bezweken onder de ‘new year, new me’-koorts. Ik krijg namelijk zo vaak te horen dat ik onnodig sorry zeg, dat ik begin dit jaar heb besloten het af te leren door voor elke keer dat ik dat doe een muntje in een zogenaamde sorry jar te stoppen. Je zou niet denken dat het werkt, maar dat doet het gek genoeg wel. Het potje is desondanks al bijna tot de helft toe gevuld.

Goed, genoeg over dat enigszins schaamtevolle goede voornemen. De jaarwisseling heeft namelijk voor een veel groter besef gezorgd: dit is het jaar waarin ik twintig word. Dat is twee keer tien. Toen ik één keer tien was, dacht ik dat ik snapte hoe de wereld in elkaar zat. Inmiddels is dat gevoel helemaal weg. En, nog veel belangrijker: stel dat ik tachtig jaar oud word, dan ben ik nu op een vierde van mijn leven. En stel dat ik vandaag of morgen per ongeluk sterf, dan heb ik nooit iets zinvols bereikt. Om een lang verhaal kort te maken: 2015 is het jaar waarin ik mezelf een schop onder mijn reet ga geven.

Misschien is het een beetje vroeg voor me om me zo druk te maken over de tijd die ik nog heb, want laten we wel wezen: op je negentiende kom je net kijken. Dat is dan ook wat me zo ontzettend irriteert. Ik wil niet net komen kijken, ik wil hebben gezien. Ik wil dingen doen en hebben gedaan, ik wil iets betekenen, iemand zijn. Ik voel me een beetje als het konijn uit Alice in Wonderland – “Oh dear, I shall be too late!” – en tegelijkertijd voel ik me Alice: ik stort me in een gat dat zich de wereld noemt en ik heb geen idee waar ik uit zal komen. Ik drink drankjes waarvan ik niet weet wat ze doen, ik open deuren waarvan ik geen idee heb waarheen ze leiden. En ik vind het heerlijk. Ik wil meer, het liefst zo snel mogelijk.

Hoe kom ik in de buurt van meer drankjes en deuren? Wist ik het maar. Wat ik wel weet, is dat ze me niet zelf zullen komen opzoeken. Daarom heb ik besloten om voorlopig maar eens elke maandagmiddag een column te plaatsen. Gewoon hier, op mijn eigen blog, om mee te beginnen. Het voelt een beetje als naar mezelf kijken in de spiegel, maar dat is het niet helemaal, zo weet ik uit ervaring. Vroeger blogde ik namelijk elke donderdag met het idee dat niemand mijn stukjes las, maar toen ik ermee stopte, kreeg ik tig berichten met de vraag wat er aan de hand was en of ik ermee verder wilde gaan. Dat heeft me goed gedaan, en toen ik aan het eind van 2014 onbedoeld mijn zonden overdacht, kwam de herinnering aan die periode naar boven. Het wordt weer eens tijd.

Dit is uiteraard een inleidende column, voor zo ver het een column is te noemen, maar vanaf volgende week ga ik hard aan de bak. Het eerste stuk is al af en dat zal hoogstwaarschijnlijk over Tinder gaan – nog bedankt voor het aanzetten tot publiceren, Jeremy – en daarna zien we het wel. Ik mag dan haast hebben, maar ik ga niet alles tot in de puntjes vooruit plannen: het mysterie van de magische drankjes en deuren hoeft nog lang niet verloren te gaan.

Ontmoeting

Het is druk, maar ik lees. Iemand heeft de moeite genomen iets op te schrijven over het leven van iemand anders. Dat moet een interessant leven zijn geweest.

Ik lees, maar ik ben ook aan het wachten. De drukte ontgaat me niet, niets ontgaat me – ik weet zelfs dat het precies vier over half drie is. Nog een minuut. Ineens word ik zenuwachtig. De tekst glipt door mijn vingers en ik kijk om me heen alsof ik haast heb. Het moet er raar uitzien: een meisje dat gehaast op een bankje zit. Ik giechel. De meneer naast me kijkt op, maar ik doe alsof ik het niet zie. Ik doe alsof ik lees. Dit boek is gewoon grappig, meneer. Kijkt u nu maar weer voor zich.

Zes over half drie. Ik begin me zorgen te maken. Had de trein vertraging? Ben je uitgestapt, terug naar huis gegaan? Vast niet, maar ik kan er maar beter rekening mee houden. De meneer is in ieder geval verdwenen. Er loopt een duif onder het bankje door. Heel dichtbij, net als jij, maar dan niet twee minuten later. Duiven dragen voor zo ver ik weet geen horloge.

Het boek grijpt me weer, terwijl ik eigenlijk op moet letten. Na elke halve bladzijde kijk ik even rond, maar ik zie niets. Niemand. Anonieme schimmen trekken langzaam en zonder iets te zeggen voorbij. De duif ziet er vriendelijker uit dan zij. Ik besluit dat je er aan het einde van dit hoofdstuk bent.

Nog een halve zin. Vanuit mijn ooghoek herken ik je. Zodra de zin af is, doe ik het boek dicht en loop ik naar je toe. Je straalt meteen.

Het is druk, maar ik lees je.

5 november 2014

Vandaag werd ik aangesproken door een jongen die mij over wilde halen geld te doneren aan Plan Nederland. Ik vertelde hem dat ik al eens door dezelfde organisatie was aangesproken. Hij zei dat ik dan dus al wist waar de organisatie voor staat. Na dit te hebben bevestigd, vroeg ik hem hoe hij zelf eigenlijk tegenover het gebeuren stond: is het niet zo dat een deel van de opbrengst niet naar het doel gaat, maar naar de organisatie zelf? Hij gaf dit schoorvoetend toe, en vertelde me over het CBF-keurmerk, waarachter ook weer een (onafhankelijke) organisatie schuilgaat. Dit keurmerk moet garanderen dat een organisatie “eerlijk” te werk gaat, en het zegt dat 89% van de opbrengst van Plan Nederland daadwerkelijk naar de meisjes gaat die ze proberen te helpen. Hij zei dat hij niet kon garanderen dat het CBF-keurmerk doet wat het zegt, maar het is nou eenmaal de enige garantie die er is. Zijn baas zou waarschijnlijk niet blij zijn met zijn verhaal, zei hij lachend, maar dit was zo eerlijk als hij kon zijn. Ik heb hem vriendelijk bedankt, hij gaf me een hand, en ik ben verder gegaan met wat ik aan het doen was.

Ergens vind ik goede doelen een beetje onzin: er is zo veel ellende in de wereld, daar kun je toch onmogelijk verandering in brengen? Ik bedoel niet dat alle ellende maar moet blijven bestaan, ik bedoel slechts dat de opstapeling van organisaties en inzamelingsacties me niet erg effectief lijkt. Ook vind ik het enigszins tegenstrijdig dat een jongen als deze zijn geld verdient door mensen geld af te troggelen, juist omdat het voor een goed doel is. In een simpel voorbeeld als dit is al zo veel belangenverstrengeling te vinden, dat ik er eigenlijk bij voorbaat niet aan mee wil doen.

Aan de andere kant vind ik het, net als de meeste mensen, waarschijnlijk, nobel dat deze jongen dit werk verkiest boven bijvoorbeeld een baantje bij de Albert Heijn. Het is wel erg pessimistisch om te denken dat hij het alleen maar doet omdat het goed betaalt. Wellicht wil hij echt wat voor Plan Nederland betekenen. Hoe dan ook is de kwestie voor mij te ingewikkeld om me geroepen te voelen goede doelen te steunen. Ik haal wel een keer een hondje uit het asiel.

Ruim een jaar later

Het is al best lang geleden dat ik heb geblogd. Misschien lijd ik aan een writer’s block, al denk ik eigenlijk van niet. Ik heb het afgelopen jaar veel geschreven voor mijn studie, en dat ging meestal prima, dus aan het schrijven zelf kan het haast niet liggen. Waar ligt het dan wel aan?

In ieder geval ben ik filosofie gaan studeren. Het eerste jaar heeft me zo veel meer gebracht dan ik ooit had durven denken. Niet alleen heb ik, naast kennis van verschillende theorieën, allerlei vaardigheden opgedaan: de opleiding draagt ook bij aan mijn persoonlijke ontwikkeling. Ondanks al deze rijkdom was het een rotjaar. Er is veel gebeurd in mijn persoonlijke leven, en erg prettig was het allemaal niet. Een studie kan dan veranderen in een veilig oord om naartoe te vluchten en in weg te kruipen. Dat was dan ook wat er gebeurde.

Filosofie is veeleisend. Het is naar mijn mening niet iets wat je zomaar voor je lol doet. Zo kun je filosofie wel beoefenen, daar gaat het me niet om, maar als je verder kijkt dan dat, gaat er een wereld voor je open. Ik heb in het eerste jaar van mijn studie een enorme crisis doorgemaakt, met name omdat ik constant het gevoel had dat ik het allemaal niet kon bijbenen. De colleges volgden elkaar in rap tempo op, en er kwam een hele hoop aan bod. Niet zoals op de middelbare school, waar elk onderwerp vijf minuten werd besproken en dan ergens in mijn achterhoofd verdween. Nee, bij mijn studie werd (en wordt) alles uitgebreid behandeld, en alles zette (en zet) me aan het denken. Het was intensief en daardoor vermoeiend, maar ondanks dat het me soms wat te veel werd, bleef ik voldoendes halen. Blijkbaar doe ik iets goed.

Nu, heel veel slapeloze nachten vol gedachten later, is alles wat genormaliseerd, zowel op het gebied van mijn studie als in mijn persoonlijke leven. Ik ben ervan overtuigd dat alles wel goed komt, uiteindelijk. Daarnaast ben ik op mezelf gaan wonen. Waar de hiatus van het afgelopen jaar vandaan kwam, blijft een raadsel, maar mijn nieuwe zolderkamertje biedt wel de uitstekende omstandigheden om weer eens wat te gaan schrijven. Misschien volgt er binnenkort meer, misschien ook niet. De tijd zal het leren.

Vijftien uur zonder telefoon

Laatst heeft mijn mobiele telefoon een dag uitgestaan. Niet omdat ik zo graag wilde weten hoe het is om zonder telefoon te leven, niet omdat hij kapot was, maar omdat ik mijn oplader ergens had laten liggen. Heel onhandig. Toen ik het ’s avonds ontdekte, lichtte ik als een gek iedereen in met wie ik veel contact heb. Ik kon nog net een tweet verzenden met het slechte nieuws en toen was het klaar. Over. Zwart beeld, niets aan te doen.

Ik krijg regelmatig te horen dat ik te veel met mijn telefoon bezig ben. Zelf snap ik nooit zo goed waarom: ik kijk er alleen op als ik een berichtje ontvang. Toch? Waar gebruik ik mijn telefoon eigenlijk voor? Dat werd me duidelijk toen het ochtend werd en mijn dagelijkse routine begon.

Handig joh, even met je smartphone het nieuws checken als je wakker wordt. Dat ging dus niet door. Eigenlijk wel lekker rustig, vond ik: van het leed in de wereld word ik toch niet wijzer. Ik stopte mijn trouwe iPhone in mijn broekzak toen ik van huis ging. Waarom? Ik had geen idee, maar het voelde veilig, terwijl ik natuurlijk heus wel wist dat hij met een lege batterij niets voor me zou kunnen betekenen. Hij was dan ook akelig stil, maar gek genoeg stoorde het me totaal niet. Tot ik, als eeuwige te-laatkomer, even wilde checken hoe laat het was.

Goed, het werd me al snel op nog veel meer manieren duidelijk hoe afhankelijk ik van mijn telefoon ben. Ik wilde een paar keer iets Googelen, maar daarvoor moest ik ineens naar een computer. Bij een leuke gedachte die ik normaal zou twitteren, moest ik een opschrijfboekje uit mijn tas halen – daarbij vergat ik overigens vaak ook een pen te pakken. Bovendien werd ik in de loop van de dag toch wel erg zenuwachtig van het idee dat ik onbereikbaar was. Wat als iemand me dringend nodig had? Dat was nog nooit voorgekomen, maar het zou kúnnen. Ik zag mijn vrienden er bovendien ook voor aan om te denken dat mij iets was overkomen zodra ik niet online zou zijn.

De nadelen van het altijd bereikbaar zijn vielen me ineens op, juist omdat ik het niet was. Toen ik na een hele ochtend en middag zonder werkende telefoon mijn oplader terug had, stak ik hem toch meteen in het stopcontact. De gewoonte was sterker dan de bezwaren en dat was ook aan mijn ontvangen berichten te zien. Juist de mensen die ik had ingelicht, hadden me talloze WhatsAppberichten gestuurd (in totaal ongeveer 150) en een paar hadden me zelfs gebeld, zich niet meteen bewust van het feit dat ik niet op kon nemen. Zo zie je maar: in de huidige tijd blijft informatie niet lang hangen. Deze blog zal je over een week hoogstwaarschijnlijk alweer vergeten zijn.