Categorie archief: Korte verhalen

Mijn juf

Mijn juf was de beste. Ze wist hoe alles moest, maar ook hoe dingen beter konden. Soms kwamen er kinderen naar haar toe om te vragen wat een woord betekende. “Zoek het maar op in het woordenboek,” zei ze dan. Toen ik een paar maanden bij haar in de klas zat, begon ze diezelfde kinderen naar mij door te sturen. “Zoek het maar op in het woordenboek,” zei ik dan. Ik had geen tijd, want ik moest rekensommen maken. Ik was daar niet zo goed in, in rekenen.

De pauzes waren soms best leuk. Ik speelde wat met mijn vriendinnen. Een van hen was vroeger gepest. Toen ik daar erg in kreeg, begon ik met haar op te trekken. Ze was lief en bij haar thuis hadden ze katten, maar die vond ik niet zo leuk. Een van hen klom een keer in de kerstboom, die daardoor tegen de vloer smakte. Alle kerstballen spatten kapot. Wij hadden thuis een hond. Die deed dat soort dingen niet. Lees verder

Opa

Mijn opa had een bril. Hij woonde samen met oma in een donker huis, iets verder dan net om de hoek. Mijn moeder en ik gingen vaak ‘even langs opa en oma’, maar volgens mij waren we soms wel uren bij hen. Ik was nog heel klein, heel blij en heel blond.

Mijn opa speelde mondharmonica en hield van tuinieren. Hij had een moestuin en een gazon dat hij regelmatig maaide. Ook had hij een soort houten hut met grote ramen, die achterin zijn tuin stond. Hij was bijna net zo trots op de tuin als op mij.

Op een dag pakte opa mijn hand en nam hij me mee naar ‘het tuinhuisje’. Ik snapte niet waarom het zo heette. Een huis was toch veel groter dan dit? Bovendien waren huizen niet van hout, maar van steen.  Lees verder

Ontmoeting

Het is druk, maar ik lees. Iemand heeft de moeite genomen iets op te schrijven over het leven van iemand anders. Dat moet een interessant leven zijn geweest.

Ik lees, maar ik ben ook aan het wachten. De drukte ontgaat me niet, niets ontgaat me – ik weet zelfs dat het precies vier over half drie is. Nog een minuut. Ineens word ik zenuwachtig. De tekst glipt door mijn vingers en ik kijk om me heen alsof ik haast heb. Het moet er raar uitzien: een meisje dat gehaast op een bankje zit. Ik giechel. De meneer naast me kijkt op, maar ik doe alsof ik het niet zie. Ik doe alsof ik lees. Dit boek is gewoon grappig, meneer. Kijkt u nu maar weer voor zich.

Zes over half drie. Ik begin me zorgen te maken. Had de trein vertraging? Ben je uitgestapt, terug naar huis gegaan? Vast niet, maar ik kan er maar beter rekening mee houden. De meneer is in ieder geval verdwenen. Er loopt een duif onder het bankje door. Heel dichtbij, net als jij, maar dan niet twee minuten later. Duiven dragen voor zo ver ik weet geen horloge.

Het boek grijpt me weer, terwijl ik eigenlijk op moet letten. Na elke halve bladzijde kijk ik even rond, maar ik zie niets. Niemand. Anonieme schimmen trekken langzaam en zonder iets te zeggen voorbij. De duif ziet er vriendelijker uit dan zij. Ik besluit dat je er aan het einde van dit hoofdstuk bent.

Nog een halve zin. Vanuit mijn ooghoek herken ik je. Zodra de zin af is, doe ik het boek dicht en loop ik naar je toe. Je straalt meteen.

Het is druk, maar ik lees je.

Oma’s poëziealbum

Oma staarde voor zich uit en ik rommelde wat in de la van de donkerbruine salontafel die middenin haar huiskamer stond. De tafel en de kamer waren van haar, want opa was er niet meer. Ik was een jaar of acht, mijn haren waren lichtblond. Het regende buiten.

“Oma, wat is dit?” Ik zag een boekje liggen met een rode kaft. Iemand had er een plaatje van een katje opgeplakt. Oma schrok op uit haar dagdroom en vertelde mij dat dat haar oude poëziealbum was. Ze legde haar hand op mijn schouder en glimlachte toen ik vroeg of ik er in mocht kijken.

Het openen van het boekje was spannend. Ik had het idee dat ik een exclusief kijkje in oma’s verleden zou krijgen. Ooit had oma de leeftijd gehad waar ik zo naar uitkeek: oma was ooit een tiener geweest.

Het eerste versje las ik voor. Oma luisterde mee. Ik bekeek het plaatje dat naast het keurige, handgeschreven schrijfwerkje was geplakt. Zulke plaatjes stonden op bijna elke bladzijde. Ze sierden het album met hun glitters en kleur, alsof ze er pas gisteren plaats hadden genomen. Nadat we samen de plaatjes hadden bekeken, ging ik verder met het voorlezen van de versjes.

“Wie heeft dat geschreven?” vroeg oma ineens. Ik keek haar geschokt aan, me bewust van wat er komen zou. Ik las de naam die onder het versje stond, waarna ik mijn blik op oma’s gezicht richtte. In gedachten was ze heel ver weg, dat kon ik zien: ze was in een ver verleden. Na een tijdje zei ze dat ze zich afvroeg hoe het nu met de vriendin van het versje zou zijn. Ik wist niet zo goed wat ik moest doen, maar oma wist het wel: ze vroeg of ik nog wat verder wilde lezen.

Versje na versje, naam na naam; het leek wel of we uren aan het lezen waren. Oma’s zussen en nichten hadden in het album geschreven. Er stond ook een versje van oma’s moeder in.
“Oh, gut,” zei oma plotseling. Ze pakte het album uit mijn handen en las de bladzijde drie keer over. Daarna legde ze het album op haar schoot. Ik keek ademloos toe.

Oma staarde in de verte. Ik zag dat ze zich iets realiseerde. Haar verleden zou nooit meer het heden worden. Ze had geen tijd meer om haar dromen waar te maken. Ze zou de mensen die ze vroeger om zich heen had, nooit meer zien. Ze had alleen haar kinderen en kleinkinderen nog, wie hetzelfde lot te wachten stond. Er rolde een traan over haar wang. Ze veegde hem met bevende handen af, sloeg haar zachte armen om me heen en vroeg met een lichte trilling in haar stem of ik iets lekkers wilde.

De tramreis

De zon bevrijdt de bomen van hun witte, koude deken. Vocht druipt langzaam op de grond en over mijn bovenlip. Het fietspad ziet wit, van het strooizout dit keer. Auto’s slippen op de weg die mij al jaren naar de tramhalte leidt.

Of de tram nog komt, is de vraag die door het hoofd van de wachtenden speelt. Hij is al drie minuten te laat en daar houden de mensen niet van. Een ouder stel staat naast mij te mopperen, want vroeger zou dit nooit gebeurd zijn. Een jonger stel besluit nog maar een sigaret aan te steken, want je moet toch wat. Ik kijk toe terwijl dit gebeurt en vraag me af of ik op tijd op mijn afspraak zal zijn.

De tram vertoont nog geen teken van nabijheid, integendeel: het uitzicht is akelig leeg. Het oudere stel is gestopt met praten, want hun gespreksstof is op. Heel veel valt er niet meer te mopperen.

Na een tijdje vang ik het geluid van een naderende tram dan eindelijk op. De ouderen zuchten, evenals de jongeren, die genoodzaakt zijn om de resterende helft van hun sigaret weg te gooien.

Nadat de passagiers zijn ingestapt, begint voor hen de reis. Ik ken de weg. Na een paar haltes verzoekt de bestuurder ons over te stappen in de volgende tram. Gemopper vult de ruimte en ik vraag me af of de mensen nou echt zoveel waarde hechten aan die paar minuten verloren tijd. De volgende tram staat al klaar en het afstapje naar de overkant van de rails zorgt voor wat oponthoud. Ouderen snappen niet hoe het ov-chipkaartsysteem werkt en hun verwarde kreten zorgen voor snel oogcontact tussen een meisje en mij. We glimlachen om de ontwapenende onhandigheid van de mensen die in de moderne wereld niet op hun plek zijn.